In tegenstelling tot wat de term fietscoach doet vermoeden, helpt de fietscoach hier niet bij. Het is vooral de taak van de fietscoach te zeggen dat de fietsenstalling vol is. De gecoachte ziet dat zelf natuurlijk ook wel. Bovendien ligt het in lijn der verwachting. De aanwezigheid van een fietscoach wijst altijd op te weinig fietsparkeervoorzieningen. Die twee gaan samen als de UvA en bezuinigingen.
De fietscoach is er niet om de gecoachte iets aan te leren. Zoals Sisyphos eindeloos het rotsblok de berg op moest duwen, moet de fietscoach tot het einde der tijden de gecoachte erop wijzen dat de rekken vol zijn. In de fietscoachgame zijn geen winnaars.
Soms spelen de fietscoach en de gecoachte een kat- en muisspel. De gecoachte weet de fietscoach te omzeilen en het lukt haar om haar fiets naast het volle rek te parkeren. De fietscoach is dan snel ter plekke en verplaatst de fiets naar zo’n bovenlader. De fietscoach bedoelt dat niet kwaad – hij kon ook niet weten dat de gecoachte gekneusde ribben had. In zo’n geval is de gecoachte aangewezen op een mede-gecoachte om te helpen de fiets naar beneden te krijgen. De fietscoaches zelf zijn op zulke momenten onzichtbaar.
De gecoachte kent de oplossing. Meer fietsvoorzieningen maken de fietscoach overbodig en het leven van de gecoachte prettiger. Maar de gecoachte weet ook dat fietscoachen werkvoorziening is voor mensen met een arbeidsbeperking. En dus slikt ze haar bezwaren in, en troost zich met de gedachte dat er nog één gebied is waarop de UvA straalt in linksheid.